Proefexamen
Proefexamen 6
50 vragen, net als op het echte examen. Maak ze en controleer daarna de antwoorden hieronder — of doe de versie op de klok met automatische score in CBR Theorie-examen.
Maak dit examen op de klok met score en je verwachte slaagkans — gratis te beginnen in de app.
Download on theApp Store1. Je verlaat een rotonde en wilt eraf naar rechts. Wat geef je aan?
- A. Niets
- B. Rechter richtingaanwijzer bij het verlaten
- C. Linker richtingaanwijzer
- D. Alarmlichten
2. Je wilt van rijstrook wisselen op de snelweg. Wat is de juiste volgorde?
- A. Sturen, dan spiegel
- B. Spiegels, dode hoek, richting aangeven, dan sturen
- C. Alleen richting aangeven
- D. Toeteren en sturen
3. Je staat voor een rood verkeerslicht. Het springt op groen, maar een fietser steekt nog over. Wat doe je?
- A. Optrekken, jij hebt groen
- B. Wachten tot de fietser veilig over is
- C. Toeteren
- D. Langs de fietser rijden
4. Je rijdt achter een tram die stilstaat bij een halte zonder verhoogd perron. Wat doe je?
- A. Inhalen met hoge snelheid
- B. Stoppen en in- en uitstappende passagiers laten gaan
- C. Toeteren
- D. Achteruit rijden
5. Je rijdt 100 km/u op de snelweg. Hoe schat je een veilige volgafstand in?
- A. Twee streepjes van de kantmarkering
- B. Ongeveer 2 seconden, dus ruwweg 56 meter
- C. 10 meter
- D. 1 seconde
6. Je nadert een onoverzichtelijke bocht naar rechts op een smalle weg. Wat doe je?
- A. Snelheid houden en midden op de weg rijden
- B. Snelheid minderen en rechts houden
- C. Toeteren en doorrijden
- D. Links aanhouden
7. Wat is de juiste manier om een heuvel af te dalen met een handgeschakelde auto?
- A. In de vrijstand (neutraal) rollen
- B. Op de motor remmen in een lagere versnelling
- C. Continu hard remmen
- D. Koppeling intrappen
8. Je nadert een kruispunt waar je linksaf wilt en er is een aparte opstelstrook. Wat doe je?
- A. Op de rechterstrook blijven
- B. Tijdig voorsorteren naar de linker opstelstrook en richting aangeven
- C. Pas op het laatst invoegen
- D. Stilstaan op de rijbaan
9. Wat is de veiligste plek op de weg voor een fietser die jij inhaalt op een 80 km/u-weg met fietsstrook?
- A. Je rijdt half over de fietsstrook
- B. Je houdt ruim afstand en wijkt zo nodig naar links uit
- C. Je toetert
- D. Je rijdt vlak langs hem
10. Je rijdt door een tunnel en er ontstaat file. Wat doe je?
- A. Achteruit rijden naar de ingang
- B. Aansluiten, afstand houden en motor uit bij stilstand
- C. Keren in de tunnel
- D. Uitstappen en lopen
11. Je rijdt met je auto en wilt zuinig optrekken. Hoe schakel je?
- A. Lang in lage versnellingen blijven
- B. Tijdig opschakelen rond 2.000-2.500 toeren
- C. Pas opschakelen bij maximaal toerental
- D. In de hoogste versnelling optrekken
12. Wat is de juiste reactie bij een klapband op de snelweg?
- A. Hard remmen en hard sturen
- B. Stuur recht houden, gas loslaten en geleidelijk afremmen
- C. Direct keren
- D. Handrem aantrekken
13. Je rijdt achter een landbouwvoertuig dat 25 km/u rijdt op een 80 km/u-weg. Wanneer haal je in?
- A. Altijd direct
- B. Alleen bij voldoende vrij zicht, ruimte en geen tegenliggers
- C. In een bocht
- D. Vlak voor een kruising
14. Je wilt linksaf een zijweg in en er steken voetgangers over die zijweg over. Wat doe je?
- A. Snel voor ze langs draaien
- B. De overstekende voetgangers in de zijweg voor laten gaan
- C. Toeteren
- D. Versnellen
15. Voor je rijdt een bal de straat op vanaf een stoep met spelende kinderen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
16. Een fietser voor je op de rijbaan steekt zijn arm uit om linksaf te slaan. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
17. Voor je rijdt een tractor veel langzamer dan jij; je kunt niet veilig inhalen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
18. Je rijdt achter een vrachtwagen die zijn rechter richtingaanwijzer aanzet vlak voor een kruising. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
19. Je nadert een gladde, met bladeren bedekte weg in de herfst. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
20. Je nadert een kruispunt waar van rechts een auto nadert zonder vaart te minderen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
21. Een voetganger met een witte stok (blindengeleidestok) staat bij de stoeprand. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
22. Voor je remt de auto plotseling hard af doordat er iets oversteekt dat jij nog niet ziet. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
23. Een motorrijder vlak voor je remt onverwacht voor een gat in het wegdek. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
24. Wat is de maximumsnelheid voor een personenauto binnen de bebouwde kom, tenzij anders aangegeven?
- A. 30 km/u
- B. 50 km/u
- C. 60 km/u
- D. 70 km/u
25. Een achthoekig rood bord met 'STOP' betekent:
- A. Snelheid minderen
- B. Stoppen en voorrang verlenen
- C. Voorrangsweg
- D. Verboden in te rijden
26. Wat is het wettelijke alcoholpromillage voor een ervaren bestuurder (langer dan 5 jaar rijbewijs)?
- A. 0,2 promille
- B. 0,5 promille
- C. 0,8 promille
- D. 0,0 promille
27. Wat betekent een rond blauw bord met een witte pijl recht omhoog?
- A. Verboden rechtdoor
- B. Gebod rechtdoor te rijden
- C. Voorrangsweg
- D. Einde inhaalverbod
28. Wat betekent een doorgetrokken streep in het midden van de rijbaan?
- A. Je mag de streep overschrijden om in te halen
- B. Je mag de streep niet overschrijden
- C. Einde van de weg
- D. Fietsstrook
29. Een rond rood bord met een witte fiets erop betekent:
- A. Verplicht fietspad
- B. Gesloten voor fietsers
- C. Fietsoversteekplaats
- D. Fietsenstalling
30. Wat betekent een driehoekig bord met een rode rand en een uitroepteken?
- A. Voorrangsweg
- B. Andere gevaren dan elders aangegeven
- C. Verplicht stoppen
- D. Inhaalverbod
31. Hoeveel bedraagt de boete-grondslag bij rijden zonder geldig rijbewijs?
- A. Het is een overtreding met geldboete
- B. Het is altijd toegestaan met instructeur
- C. Het mag binnen de bebouwde kom
- D. Het is alleen verboden op de snelweg
32. Je nadert een gelijkwaardig kruispunt en rechts van je nadert tegelijk een auto. Wie heeft voorrang?
- A. Jij
- B. De auto van rechts
- C. Wie het hardst rijdt
- D. De auto van links
33. Je nadert een rotonde met haaientanden. Een auto rijdt al rond op de rotonde. Wat doe je?
- A. Je rijdt door, jij hebt voorrang
- B. Je verleent voorrang aan het verkeer op de rotonde
- C. Je toetert
- D. Je keert om
34. Je nadert een zebrapad en er staat iemand duidelijk klaar om over te steken. Wat moet je doen?
- A. Doorrijden
- B. Stoppen en laten oversteken
- C. Toeteren
- D. Versnellen
35. Je nadert een file op de snelweg. Wat is verstandig?
- A. Alarmlichten aan en snelheid minderen
- B. Doorrijden tot het laatste moment
- C. Inhalen via vluchtstrook
- D. Toeteren
36. Je nadert een kruispunt met verkeerslichten die buiten werking zijn (knipperend geel of uit). Wat geldt dan?
- A. Iedereen mag doorrijden
- B. De normale voorrangsregels en borden gelden
- C. Links heeft voorrang
- D. Stoppen verplicht voor iedereen
37. Je nadert in het donker een tegenligger. Wat doe je met je groot licht?
- A. Aanlaten
- B. Tijdig dimmen om de tegenligger niet te verblinden
- C. Knipperen
- D. Uitzetten
38. Je wilt keren op een drukke weg. Wat is het veiligst?
- A. Direct keren waar je bent
- B. Keren op een rustige plek met goed zicht of via een zijweg/rotonde
- C. Achteruit de hele weg over
- D. Keren in een bocht
39. Je passeert een groep wielrenners die met meer dan twee naast elkaar rijden. Wat doe je?
- A. Toeteren en er strak langs
- B. Geduld houden en pas inhalen als het veilig kan met ruime afstand
- C. Tegen het verkeer in inhalen
- D. Vlak achter ze toeteren
40. Je hebt gedronken en zit net onder de wettelijke limiet. Wat is verstandig?
- A. Gewoon rijden
- B. Niet rijden; ook onder de limiet is je reactievermogen verminderd
- C. Langzaam rijden
- D. Koffie drinken en rijden
41. Je rijdt achter een vrachtwagen die rechtsaf wil. Waar mag je zeker niet gaan staan?
- A. Ruim achter de vrachtwagen
- B. Rechts naast de vrachtwagen in zijn dode hoek
- C. Links erachter
- D. Op afstand
42. Je rijdt bij gladheid (ijzel). Hoe pas je je rijstijl aan?
- A. Hard remmen en sturen
- B. Rustig optrekken, zacht remmen, grote afstand en lage snelheid
- C. Snel rijden om er doorheen te komen
- D. Vol gas in bochten
43. Je wilt parkeren langs de weg buiten de bebouwde kom. Waar mag dat doorgaans niet?
- A. In een parkeervak
- B. Op een kruising of binnen 5 meter ervan, bij een bocht of op een fietsstrook
- C. Op een aangewezen plek
- D. Op een parkeerterrein
44. Je wilt invoegen op de snelweg maar de invoegstrook loopt ten einde en er is geen gat. Wat doe je?
- A. Stoppen op de invoegstrook
- B. Snelheid aanpassen en bij het eerste veilige gat invoegen; eventueel rits
- C. Dwars de rijbaan oprijden
- D. Achteruit rijden
45. Wat is de bedoeling van een uitritconstructie (de stoep loopt door over de zijweg)?
- A. Het is een gewoon kruispunt
- B. Verkeer dat de uitrit verlaat moet al het andere verkeer voor laten gaan
- C. Voetgangers moeten wachten
- D. Iedereen heeft voorrang van rechts
46. Je rijdt op een weg waar plots een file ontstaat en achter je nadert verkeer snel. Wat doe je eerst?
- A. Hard remmen zonder waarschuwen
- B. Alarmlichten aan en gedoseerd remmen
- C. Toeteren
- D. Naar de vluchtstrook
47. Je rijdt 50 km/u door de bebouwde kom en nadert een zebrapad waar een voetganger duidelijk wil oversteken. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
48. Je rijdt op een 80 km/u-weg en ziet ver vooruit een file ontstaan. Wat doe je nu al?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
49. Je rijdt op een smalle weg en van rechts komt een tegenligger; er staan auto's geparkeerd aan jouw kant. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
50. Een hond rent zonder lijn vanaf de berm richting de weg. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
Antwoorden
- 1. Rechter richtingaanwijzer bij het verlaten — Bij het verlaten van een rotonde geef je rechtsaf aan met je richtingaanwijzer.
- 2. Spiegels, dode hoek, richting aangeven, dan sturen — Veilig wisselen: kijk in je spiegels, controleer de dode hoek, geef richting aan en stuur pas daarna rustig in.
- 3. Wachten tot de fietser veilig over is — Ook bij groen laat je overstekende kwetsbare verkeersdeelnemers eerst veilig passeren.
- 4. Stoppen en in- en uitstappende passagiers laten gaan — Bij een tram-/bushalte zonder perron stop je voor in- en uitstappende reizigers die de weg oversteken.
- 5. Ongeveer 2 seconden, dus ruwweg 56 meter — Bij 100 km/u leg je per seconde ~28 meter af; 2 seconden volgafstand is dus circa 56 meter.
- 6. Snelheid minderen en rechts houden — Bij beperkt zicht in een bocht minder je snelheid en houd je rechts, zodat je een tegenligger niet snijdt.
- 7. Op de motor remmen in een lagere versnelling — Daal af in een lagere versnelling zodat je op de motor remt; dit voorkomt oververhitting van de remmen.
- 8. Tijdig voorsorteren naar de linker opstelstrook en richting aangeven — Sorteer tijdig voor naar de juiste strook en geef richting aan, zodat ander verkeer je bedoeling kent.
- 9. Je houdt ruim afstand en wijkt zo nodig naar links uit — Houd bij hogere snelheid extra zijdelingse afstand tot fietsers en wijk uit als dat veilig kan.
- 10. Aansluiten, afstand houden en motor uit bij stilstand — In een tunnelfile sluit je rustig aan, houd je afstand en zet je bij langer stilstaan de motor uit; volg de instructies en signalering.
- 11. Tijdig opschakelen rond 2.000-2.500 toeren — Zuinig rijden betekent tijdig opschakelen (rond 2.000-2.500 toeren bij benzine) om het toerental laag te houden.
- 12. Stuur recht houden, gas loslaten en geleidelijk afremmen — Bij een klapband houd je het stuur stevig recht, laat je gas los en rem je geleidelijk; hard remmen of sturen veroorzaakt slippen.
- 13. Alleen bij voldoende vrij zicht, ruimte en geen tegenliggers — Inhalen mag alleen met voldoende overzicht, ruimte en zonder tegenliggers; nooit bij bochten, kruisingen of beperkt zicht.
- 14. De overstekende voetgangers in de zijweg voor laten gaan — Bij afslaan moet je voetgangers die de zijweg oversteken voor laten gaan (RVV art. 18).
- 15. Remmen — Een bal op de weg betekent dat er een kind achteraan kan komen; rem direct om een aanrijding te voorkomen.
- 16. Remmen — De fietser gaat afslaan en kruist je koers; remmen geeft hem ruimte om veilig af te slaan.
- 17. Gas loslaten — Zonder vrij zicht en ruimte mag je niet inhalen; laat gas los en pas je snelheid aan die van de tractor aan.
- 18. Gas loslaten — De vrachtwagen gaat rechtsaf en heeft ruimte nodig; laat gas los zodat je niet in zijn dode hoek of draaicirkel komt.
- 19. Gas loslaten — Natte bladeren maken het wegdek glad; laat tijdig gas los om je snelheid te verminderen zonder te slippen.
- 20. Remmen — Bestuurders van rechts hebben voorrang; als die niet remt moet jij remmen om botsing te voorkomen (RVV art. 15).
- 21. Remmen — Een witte stok wijst op een blinde voetganger die wil oversteken; je moet stoppen en voorrang geven.
- 22. Remmen — Remlichten vooruit waarschuwen voor gevaar dat jij nog niet ziet; rem direct mee om afstand te houden.
- 23. Remmen — Je moet mee afremmen om voldoende afstand tot de motor te houden.
- 24. 50 km/u — Binnen de bebouwde kom geldt standaard 50 km/u, tenzij borden iets anders aangeven (RVV art. 20).
- 25. Stoppen en voorrang verlenen — Bij bord B7 (STOP) moet je volledig stoppen voor de stopstreep en daarna voorrang verlenen.
- 26. 0,5 promille — Voor ervaren bestuurders geldt een maximum van 0,5 promille (0,5 g alcohol per liter bloed).
- 27. Gebod rechtdoor te rijden — Een rond blauw gebodsbord met een rechte pijl (D4) verplicht je rechtdoor te rijden.
- 28. Je mag de streep niet overschrijden — Een doorgetrokken streep mag je niet overschrijden of erop rijden (RVV art. 76).
- 29. Gesloten voor fietsers — Een rond bord met rode rand en fiets (C14/C15) betekent dat de weg gesloten is voor fietsers.
- 30. Andere gevaren dan elders aangegeven — Het waarschuwingsbord J37 met uitroepteken waarschuwt voor een gevaar dat niet door een ander bord wordt aangegeven.
- 31. Het is een overtreding met geldboete — Rijden zonder geldig rijbewijs is strafbaar; je riskeert een geldboete en mogelijk verdere maatregelen.
- 32. De auto van rechts — Op een gelijkwaardig kruispunt verleen je voorrang aan bestuurders van rechts (RVV art. 15).
- 33. Je verleent voorrang aan het verkeer op de rotonde — Haaientanden bij de oprit betekenen voorrang verlenen aan het verkeer dat al op de rotonde rijdt.
- 34. Stoppen en laten oversteken — Voetgangers op of bij een zebrapad die willen oversteken moet je voor laten gaan (RVV art. 49).
- 35. Alarmlichten aan en snelheid minderen — Bij naderende file zet je je alarmlichten kort aan om achterliggers te waarschuwen en minder je snelheid tijdig.
- 36. De normale voorrangsregels en borden gelden — Werken de lichten niet, dan gelden de aanwezige borden/markeringen en anders de voorrang van rechts.
- 37. Tijdig dimmen om de tegenligger niet te verblinden — Je dimt je groot licht tijdig voor tegenliggers en wanneer je dicht achter een voorganger rijdt om verblinding te voorkomen.
- 38. Keren op een rustige plek met goed zicht of via een zijweg/rotonde — Keer alleen waar het overzichtelijk en toegestaan is; gebruik bij voorkeur een zijweg of rotonde en nooit in bochten of bij beperkt zicht.
- 39. Geduld houden en pas inhalen als het veilig kan met ruime afstand — Haal kwetsbare verkeersdeelnemers alleen in als het veilig kan met voldoende zijdelingse ruimte; forceren is gevaarlijk.
- 40. Niet rijden; ook onder de limiet is je reactievermogen verminderd — Ook onder de limiet verslechtert alcohol je reactievermogen en inschattingsvermogen; rijd dan niet.
- 41. Rechts naast de vrachtwagen in zijn dode hoek — Rechts naast een rechtsafslaande vrachtwagen sta je in zijn dode hoek en draaicirkel; dat is levensgevaarlijk.
- 42. Rustig optrekken, zacht remmen, grote afstand en lage snelheid — Bij gladheid bedien je alles geleidelijk: zacht optrekken en remmen, grote volgafstand en lagere snelheid om slippen te voorkomen.
- 43. Op een kruising of binnen 5 meter ervan, bij een bocht of op een fietsstrook — Parkeren mag niet op of nabij kruisingen, in bochten, op fietsstroken of waar je het verkeer hindert (RVV art. 24).
- 44. Snelheid aanpassen en bij het eerste veilige gat invoegen; eventueel rits — Pas je snelheid aan en voeg in bij het eerste veilige gat; forceer niet en stop niet op de invoegstrook.
- 45. Verkeer dat de uitrit verlaat moet al het andere verkeer voor laten gaan — Bij een uitritconstructie verlaat je in feite een erf/inrit en moet je al het verkeer (ook fietsers en voetgangers) voor laten gaan.
- 46. Alarmlichten aan en gedoseerd remmen — Waarschuw achterliggers met je alarmlichten en rem gedoseerd, zodat je geen kop-staartbotsing veroorzaakt.
- 47. Remmen — Voetgangers op of vlak bij een voetgangersoversteekplaats hebben voorrang; je moet remmen en ze laten oversteken (RVV art. 49).
- 48. Gas loslaten — Door tijdig gas los te laten neem je snelheid weg en houd je afstand zonder abrupt te remmen.
- 49. Gas loslaten — De geparkeerde auto's staan aan jouw kant, dus de tegenligger heeft voorrang; gas loslaten om in te kunnen voegen.
- 50. Remmen — Een loslopend dier is onvoorspelbaar; rem om te kunnen stoppen als het de weg op rent.