Proefexamen
Proefexamen 5
50 vragen, net als op het echte examen. Maak ze en controleer daarna de antwoorden hieronder — of doe de versie op de klok met automatische score in CBR Theorie-examen.
Maak dit examen op de klok met score en je verwachte slaagkans — gratis te beginnen in de app.
Download on theApp Store1. Je rijdt op een smalle weg en van rechts komt een tegenligger; er staan auto's geparkeerd aan jouw kant. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
2. Je nadert een kruispunt met groen licht, maar een voetganger steekt nog over op jouw weghelft. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
3. Je rijdt achter een vrachtwagen die zijn rechter richtingaanwijzer aanzet vlak voor een kruising. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
4. Een kind op een fiets rijdt slingerend voor je op een fietsstrook dicht langs de rijbaan. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
5. Je rijdt in een woonerf waar kinderen op straat spelen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
6. Je nadert een kruispunt waar van rechts een auto nadert zonder vaart te minderen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
7. Je rijdt op de snelweg en ziet pijlmarkeringen die je naar links sturen vanwege een afzetting. Een auto naast je ziet het niet. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
8. Je nadert een scherpe bocht en ziet pas laat dat er een geparkeerde auto half op de weg staat. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
9. Voor je remt de auto plotseling hard af doordat er iets oversteekt dat jij nog niet ziet. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
10. Je rijdt op een buitenweg en ziet bordje 'overstekend wild'. Het is schemering. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
11. Je nadert een rotonde waar een fietser op het fietspad eromheen voorrang heeft. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
12. Wat is de maximumsnelheid voor een personenauto binnen de bebouwde kom, tenzij anders aangegeven?
- A. 30 km/u
- B. 50 km/u
- C. 60 km/u
- D. 70 km/u
13. Een rood-witte driehoek met de punt naar beneden betekent:
- A. Verplichte stop
- B. Voorrangsweg
- C. Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg
- D. Inhaalverbod
14. Wat betekent een geel ruitvormig bord (gele wybertje)?
- A. Einde voorrangsweg
- B. Voorrangsweg
- C. Gevaarlijke kruising
- D. Parkeerverbod
15. Wat is het wettelijke alcoholpromillage voor een ervaren bestuurder (langer dan 5 jaar rijbewijs)?
- A. 0,2 promille
- B. 0,5 promille
- C. 0,8 promille
- D. 0,0 promille
16. Een rond rood bord met een witte horizontale balk (C1) betekent:
- A. Eenrichtingsweg
- B. Gesloten in beide richtingen voor voertuigen
- C. Inrijden toegestaan
- D. Doodlopende weg
17. Hoeveel afstand houd je idealiter aan tot je voorganger volgens de 2-secondenregel?
- A. Minstens 2 seconden rijtijd
- B. Minstens 2 meter
- C. Minstens 20 meter altijd
- D. Minstens 0,5 seconde
18. Wat betekent een doorgetrokken streep in het midden van de rijbaan?
- A. Je mag de streep overschrijden om in te halen
- B. Je mag de streep niet overschrijden
- C. Einde van de weg
- D. Fietsstrook
19. Wanneer mag je het mistachterlicht gebruiken?
- A. Altijd in het donker
- B. Alleen als het zicht minder dan 50 meter is
- C. Bij regen
- D. Bij schemering
20. Wat is de maximumsnelheid op een autoweg (bord G3) voor personenauto's, tenzij anders aangegeven?
- A. 80 km/u
- B. 100 km/u
- C. 120 km/u
- D. 130 km/u
21. Wat betekent een driehoekig bord met een rode rand en een uitroepteken?
- A. Voorrangsweg
- B. Andere gevaren dan elders aangegeven
- C. Verplicht stoppen
- D. Inhaalverbod
22. Een rechthoekig blauw bord met een witte auto en 'M' (bord L3) betekent:
- A. Tankstation
- B. Bushalte
- C. Parkeerplaats / verzorgingsplaats
- D. Tunnel
23. Wat betekent een onderbroken streep langs de rand van de rijbaan op de snelweg?
- A. Vluchtstrook, alleen voor noodgevallen
- B. Extra rijstrook
- C. Fietsstrook
- D. Busbaan
24. Je nadert een gelijkwaardig kruispunt en rechts van je nadert tegelijk een auto. Wie heeft voorrang?
- A. Jij
- B. De auto van rechts
- C. Wie het hardst rijdt
- D. De auto van links
25. Je rijdt rechtdoor op een voorrangsweg (gele wybertje) en van rechts wil een auto invoegen. Wie heeft voorrang?
- A. Jij, op de voorrangsweg
- B. De auto van rechts
- C. Wie het eerst optrekt
- D. Niemand
26. Je verlaat een rotonde en wilt eraf naar rechts. Wat geef je aan?
- A. Niets
- B. Rechter richtingaanwijzer bij het verlaten
- C. Linker richtingaanwijzer
- D. Alarmlichten
27. Je nadert een zebrapad en er staat iemand duidelijk klaar om over te steken. Wat moet je doen?
- A. Doorrijden
- B. Stoppen en laten oversteken
- C. Toeteren
- D. Versnellen
28. Bij hevige regen wil je je volgafstand aanpassen. Wat doe je?
- A. Verklein de afstand
- B. Vergroot de afstand, minstens 3-4 seconden
- C. Houd 2 seconden aan
- D. Maakt niet uit
29. Je staat voor een rood verkeerslicht. Het springt op groen, maar een fietser steekt nog over. Wat doe je?
- A. Optrekken, jij hebt groen
- B. Wachten tot de fietser veilig over is
- C. Toeteren
- D. Langs de fietser rijden
30. Je nadert een kruispunt met verkeerslichten die buiten werking zijn (knipperend geel of uit). Wat geldt dan?
- A. Iedereen mag doorrijden
- B. De normale voorrangsregels en borden gelden
- C. Links heeft voorrang
- D. Stoppen verplicht voor iedereen
31. Je wilt rechtsaf slaan en naast je rijdt een fietser rechtdoor op het fietspad. Wat doe je?
- A. Snel voor de fietser langs draaien
- B. De rechtdoorgaande fietser voor laten gaan
- C. Toeteren
- D. De fietser snijden
32. Je rijdt 100 km/u op de snelweg. Hoe schat je een veilige volgafstand in?
- A. Twee streepjes van de kantmarkering
- B. Ongeveer 2 seconden, dus ruwweg 56 meter
- C. 10 meter
- D. 1 seconde
33. Je wilt keren op een drukke weg. Wat is het veiligst?
- A. Direct keren waar je bent
- B. Keren op een rustige plek met goed zicht of via een zijweg/rotonde
- C. Achteruit de hele weg over
- D. Keren in een bocht
34. Je staat stil in een file op de snelweg en hoort een sirene achter je. Wat doe je?
- A. Blijf strak in je rijstrook staan
- B. Maak ruimte door naar de zijkant te schuiven (vorm een reddingsstrook)
- C. Stap uit
- D. Rijd de vluchtstrook op om weg te komen
35. Wat is de juiste manier om een heuvel af te dalen met een handgeschakelde auto?
- A. In de vrijstand (neutraal) rollen
- B. Op de motor remmen in een lagere versnelling
- C. Continu hard remmen
- D. Koppeling intrappen
36. Je hebt gedronken en zit net onder de wettelijke limiet. Wat is verstandig?
- A. Gewoon rijden
- B. Niet rijden; ook onder de limiet is je reactievermogen verminderd
- C. Langzaam rijden
- D. Koffie drinken en rijden
37. Je rijdt op een weg met een busstrook (doorgetrokken streep, woord BUS). Mag je erop rijden?
- A. Ja, altijd
- B. Nee, alleen lijnbussen en aangegeven voertuigen
- C. Alleen om in te halen
- D. Alleen 's nachts
38. Wat is de veiligste plek op de weg voor een fietser die jij inhaalt op een 80 km/u-weg met fietsstrook?
- A. Je rijdt half over de fietsstrook
- B. Je houdt ruim afstand en wijkt zo nodig naar links uit
- C. Je toetert
- D. Je rijdt vlak langs hem
39. Je rijdt bij gladheid (ijzel). Hoe pas je je rijstijl aan?
- A. Hard remmen en sturen
- B. Rustig optrekken, zacht remmen, grote afstand en lage snelheid
- C. Snel rijden om er doorheen te komen
- D. Vol gas in bochten
40. Een voetganger steekt over bij rood voetgangerslicht terwijl jij groen hebt. Wat doe je?
- A. Doorrijden, jij hebt groen
- B. Remmen en de voetganger ontwijken om een aanrijding te voorkomen
- C. Toeteren en doorrijden
- D. Versnellen
41. Je rijdt met je auto en wilt zuinig optrekken. Hoe schakel je?
- A. Lang in lage versnellingen blijven
- B. Tijdig opschakelen rond 2.000-2.500 toeren
- C. Pas opschakelen bij maximaal toerental
- D. In de hoogste versnelling optrekken
42. Je wilt invoegen op de snelweg maar de invoegstrook loopt ten einde en er is geen gat. Wat doe je?
- A. Stoppen op de invoegstrook
- B. Snelheid aanpassen en bij het eerste veilige gat invoegen; eventueel rits
- C. Dwars de rijbaan oprijden
- D. Achteruit rijden
43. Je nadert een kruispunt en wilt rechtdoor; je staat op een voorrangsweg maar er staat verderop een agent die jou laat stoppen. Wat doe je?
- A. Doorrijden, jij hebt voorrang
- B. Stoppen, de agent gaat voor de borden
- C. Toeteren
- D. Langzaam doorrijden
44. Je rijdt achter een landbouwvoertuig dat 25 km/u rijdt op een 80 km/u-weg. Wanneer haal je in?
- A. Altijd direct
- B. Alleen bij voldoende vrij zicht, ruimte en geen tegenliggers
- C. In een bocht
- D. Vlak voor een kruising
45. Je rijdt op een weg waar plots een file ontstaat en achter je nadert verkeer snel. Wat doe je eerst?
- A. Hard remmen zonder waarschuwen
- B. Alarmlichten aan en gedoseerd remmen
- C. Toeteren
- D. Naar de vluchtstrook
46. Je rijdt en je telefoon gaat. Wat is toegestaan?
- A. Vasthouden en bellen
- B. Niet vasthouden; handsfree mag, vasthouden van een mobiel apparaat is verboden
- C. Appen bij rood licht
- D. Filmen tijdens het rijden
47. Voor je rijdt een bal de straat op vanaf een stoep met spelende kinderen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
48. Je rijdt op een 80 km/u-weg en ziet ver vooruit een file ontstaan. Wat doe je nu al?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
49. Je nadert een onbewaakte spoorwegovergang en de rode lichten beginnen te knipperen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
50. Voor je rijdt een tractor veel langzamer dan jij; je kunt niet veilig inhalen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
Antwoorden
- 1. Gas loslaten — De geparkeerde auto's staan aan jouw kant, dus de tegenligger heeft voorrang; gas loslaten om in te kunnen voegen.
- 2. Remmen — Ook bij groen moet je voetgangers die nog oversteken laten gaan; remmen voorkomt een aanrijding.
- 3. Gas loslaten — De vrachtwagen gaat rechtsaf en heeft ruimte nodig; laat gas los zodat je niet in zijn dode hoek of draaicirkel komt.
- 4. Gas loslaten — Een slingerend kind is onvoorspelbaar; laat gas los en houd extra zijdelingse afstand.
- 5. Remmen — In een woonerf mag je stapvoets rijden en hebben voetgangers de hele weg; rem om stapvoets te gaan (RVV art. 44).
- 6. Remmen — Bestuurders van rechts hebben voorrang; als die niet remt moet jij remmen om botsing te voorkomen (RVV art. 15).
- 7. Gas loslaten — Laat gas los om ruimte te maken voor de auto die nog moet invoegen door de afzetting.
- 8. Remmen — Een onverwacht obstakel in je rijlijn vraagt om remmen om een aanrijding te voorkomen.
- 9. Remmen — Remlichten vooruit waarschuwen voor gevaar dat jij nog niet ziet; rem direct mee om afstand te houden.
- 10. Gas loslaten — Bij schemering steekt wild vaker over; laat gas los om je snelheid te verlagen en op tijd te kunnen remmen.
- 11. Remmen — Op veel rotondes binnen de bebouwde kom heeft de fietser op het rondgaande fietspad voorrang; rem en geef voorrang.
- 12. 50 km/u — Binnen de bebouwde kom geldt standaard 50 km/u, tenzij borden iets anders aangeven (RVV art. 20).
- 13. Verleen voorrang aan bestuurders op de kruisende weg — Het omgekeerde driehoeksbord (B6) betekent dat je voorrang moet verlenen aan bestuurders op de kruisende weg.
- 14. Voorrangsweg — Het gele wybertje (B1) geeft aan dat je op een voorrangsweg rijdt.
- 15. 0,5 promille — Voor ervaren bestuurders geldt een maximum van 0,5 promille (0,5 g alcohol per liter bloed).
- 16. Gesloten in beide richtingen voor voertuigen — Bord C1 betekent dat de weg in beide richtingen gesloten is voor voertuigen, ruiters en geleiders van vee.
- 17. Minstens 2 seconden rijtijd — De 2-secondenregel zegt dat je minstens 2 seconden achter je voorganger moet blijven; bij slecht weer meer.
- 18. Je mag de streep niet overschrijden — Een doorgetrokken streep mag je niet overschrijden of erop rijden (RVV art. 76).
- 19. Alleen als het zicht minder dan 50 meter is — Het mistachterlicht mag alleen aan als het zicht door mist, sneeuw of regen minder dan 50 meter is.
- 20. 100 km/u — Op een autoweg geldt standaard 100 km/u, tenzij borden anders aangeven.
- 21. Andere gevaren dan elders aangegeven — Het waarschuwingsbord J37 met uitroepteken waarschuwt voor een gevaar dat niet door een ander bord wordt aangegeven.
- 22. Bushalte — Bord L3 markeert een bushalte (halteplaats voor lijnbussen).
- 23. Vluchtstrook, alleen voor noodgevallen — De doorgetrokken kantstreep met onderbroken markering scheidt de vluchtstrook, die alleen voor noodgevallen bedoeld is.
- 24. De auto van rechts — Op een gelijkwaardig kruispunt verleen je voorrang aan bestuurders van rechts (RVV art. 15).
- 25. Jij, op de voorrangsweg — Op een voorrangsweg heb jij voorrang; verkeer dat invoegt moet wachten.
- 26. Rechter richtingaanwijzer bij het verlaten — Bij het verlaten van een rotonde geef je rechtsaf aan met je richtingaanwijzer.
- 27. Stoppen en laten oversteken — Voetgangers op of bij een zebrapad die willen oversteken moet je voor laten gaan (RVV art. 49).
- 28. Vergroot de afstand, minstens 3-4 seconden — Bij regen is de remweg langer; vergroot je volgafstand naar minstens 3 à 4 seconden.
- 29. Wachten tot de fietser veilig over is — Ook bij groen laat je overstekende kwetsbare verkeersdeelnemers eerst veilig passeren.
- 30. De normale voorrangsregels en borden gelden — Werken de lichten niet, dan gelden de aanwezige borden/markeringen en anders de voorrang van rechts.
- 31. De rechtdoorgaande fietser voor laten gaan — Bij rechtsaf moet je rechtdoorgaande fietsers en bromfietsers op het fietspad voor laten gaan.
- 32. Ongeveer 2 seconden, dus ruwweg 56 meter — Bij 100 km/u leg je per seconde ~28 meter af; 2 seconden volgafstand is dus circa 56 meter.
- 33. Keren op een rustige plek met goed zicht of via een zijweg/rotonde — Keer alleen waar het overzichtelijk en toegestaan is; gebruik bij voorkeur een zijweg of rotonde en nooit in bochten of bij beperkt zicht.
- 34. Maak ruimte door naar de zijkant te schuiven (vorm een reddingsstrook) — In een file maak je voor hulpdiensten een reddingsstrook door zoveel mogelijk naar de zijkanten te schuiven.
- 35. Op de motor remmen in een lagere versnelling — Daal af in een lagere versnelling zodat je op de motor remt; dit voorkomt oververhitting van de remmen.
- 36. Niet rijden; ook onder de limiet is je reactievermogen verminderd — Ook onder de limiet verslechtert alcohol je reactievermogen en inschattingsvermogen; rijd dan niet.
- 37. Nee, alleen lijnbussen en aangegeven voertuigen — Een busstrook is voorbehouden aan lijnbussen en eventueel op onderborden aangegeven voertuigen.
- 38. Je houdt ruim afstand en wijkt zo nodig naar links uit — Houd bij hogere snelheid extra zijdelingse afstand tot fietsers en wijk uit als dat veilig kan.
- 39. Rustig optrekken, zacht remmen, grote afstand en lage snelheid — Bij gladheid bedien je alles geleidelijk: zacht optrekken en remmen, grote volgafstand en lagere snelheid om slippen te voorkomen.
- 40. Remmen en de voetganger ontwijken om een aanrijding te voorkomen — Ook als de voetganger fout zit, moet jij een aanrijding voorkomen; remmen en uitwijken gaat boven 'gelijk hebben'.
- 41. Tijdig opschakelen rond 2.000-2.500 toeren — Zuinig rijden betekent tijdig opschakelen (rond 2.000-2.500 toeren bij benzine) om het toerental laag te houden.
- 42. Snelheid aanpassen en bij het eerste veilige gat invoegen; eventueel rits — Pas je snelheid aan en voeg in bij het eerste veilige gat; forceer niet en stop niet op de invoegstrook.
- 43. Stoppen, de agent gaat voor de borden — Aanwijzingen van de politie/verkeersregelaar gaan boven verkeerstekens en voorrangsregels.
- 44. Alleen bij voldoende vrij zicht, ruimte en geen tegenliggers — Inhalen mag alleen met voldoende overzicht, ruimte en zonder tegenliggers; nooit bij bochten, kruisingen of beperkt zicht.
- 45. Alarmlichten aan en gedoseerd remmen — Waarschuw achterliggers met je alarmlichten en rem gedoseerd, zodat je geen kop-staartbotsing veroorzaakt.
- 46. Niet vasthouden; handsfree mag, vasthouden van een mobiel apparaat is verboden — Een mobiel apparaat vasthouden tijdens het rijden is verboden; bellen mag alleen handsfree.
- 47. Remmen — Een bal op de weg betekent dat er een kind achteraan kan komen; rem direct om een aanrijding te voorkomen.
- 48. Gas loslaten — Door tijdig gas los te laten neem je snelheid weg en houd je afstand zonder abrupt te remmen.
- 49. Remmen — Bij knipperende rode lichten moet je stoppen voor de overgang; remmen is verplicht (RVV art. 62).
- 50. Gas loslaten — Zonder vrij zicht en ruimte mag je niet inhalen; laat gas los en pas je snelheid aan die van de tractor aan.