Proefexamen
Proefexamen 4
50 vragen, net als op het echte examen. Maak ze en controleer daarna de antwoorden hieronder — of doe de versie op de klok met automatische score in CBR Theorie-examen.
Maak dit examen op de klok met score en je verwachte slaagkans — gratis te beginnen in de app.
Download on theApp Store1. Je wilt linksaf slaan en er nadert een tegenligger die rechtdoor gaat. Wie gaat voor?
- A. Jij, want jij was er eerder
- B. De rechtdoorgaande tegenligger
- C. Wie zijn richting aangeeft
- D. Niemand
2. Je rijdt rechtdoor op een voorrangsweg (gele wybertje) en van rechts wil een auto invoegen. Wie heeft voorrang?
- A. Jij, op de voorrangsweg
- B. De auto van rechts
- C. Wie het eerst optrekt
- D. Niemand
3. Je nadert een rotonde met haaientanden. Een auto rijdt al rond op de rotonde. Wat doe je?
- A. Je rijdt door, jij hebt voorrang
- B. Je verleent voorrang aan het verkeer op de rotonde
- C. Je toetert
- D. Je keert om
4. Je verlaat een rotonde en wilt eraf naar rechts. Wat geef je aan?
- A. Niets
- B. Rechter richtingaanwijzer bij het verlaten
- C. Linker richtingaanwijzer
- D. Alarmlichten
5. Je rijdt achter een fietser op een smalle weg. Hoeveel zijdelingse afstand houd je bij inhalen?
- A. Minimaal ongeveer 1,5 meter
- B. Zo dicht mogelijk
- C. Maakt niet uit
- D. Minder dan 0,5 meter
6. Je nadert een zebrapad en er staat iemand duidelijk klaar om over te steken. Wat moet je doen?
- A. Doorrijden
- B. Stoppen en laten oversteken
- C. Toeteren
- D. Versnellen
7. Je wilt van rijstrook wisselen op de snelweg. Wat is de juiste volgorde?
- A. Sturen, dan spiegel
- B. Spiegels, dode hoek, richting aangeven, dan sturen
- C. Alleen richting aangeven
- D. Toeteren en sturen
8. Bij hevige regen wil je je volgafstand aanpassen. Wat doe je?
- A. Verklein de afstand
- B. Vergroot de afstand, minstens 3-4 seconden
- C. Houd 2 seconden aan
- D. Maakt niet uit
9. Je nadert een file op de snelweg. Wat is verstandig?
- A. Alarmlichten aan en snelheid minderen
- B. Doorrijden tot het laatste moment
- C. Inhalen via vluchtstrook
- D. Toeteren
10. Je staat voor een rood verkeerslicht. Het springt op groen, maar een fietser steekt nog over. Wat doe je?
- A. Optrekken, jij hebt groen
- B. Wachten tot de fietser veilig over is
- C. Toeteren
- D. Langs de fietser rijden
11. Je rijdt op de snelweg en wilt invoegen vanaf de invoegstrook. Wie past zich aan?
- A. Het verkeer op de snelweg moet altijd remmen
- B. Jij past je snelheid aan en voegt in tussen het verkeer
- C. Je stopt op de invoegstrook
- D. Je rijdt direct naar de linkerstrook
12. Je nadert een kruispunt met verkeerslichten die buiten werking zijn (knipperend geel of uit). Wat geldt dan?
- A. Iedereen mag doorrijden
- B. De normale voorrangsregels en borden gelden
- C. Links heeft voorrang
- D. Stoppen verplicht voor iedereen
13. Je rijdt achter een tram die stilstaat bij een halte zonder verhoogd perron. Wat doe je?
- A. Inhalen met hoge snelheid
- B. Stoppen en in- en uitstappende passagiers laten gaan
- C. Toeteren
- D. Achteruit rijden
14. Je wilt rechtsaf slaan en naast je rijdt een fietser rechtdoor op het fietspad. Wat doe je?
- A. Snel voor de fietser langs draaien
- B. De rechtdoorgaande fietser voor laten gaan
- C. Toeteren
- D. De fietser snijden
15. Je nadert in het donker een tegenligger. Wat doe je met je groot licht?
- A. Aanlaten
- B. Tijdig dimmen om de tegenligger niet te verblinden
- C. Knipperen
- D. Uitzetten
16. Je rijdt 100 km/u op de snelweg. Hoe schat je een veilige volgafstand in?
- A. Twee streepjes van de kantmarkering
- B. Ongeveer 2 seconden, dus ruwweg 56 meter
- C. 10 meter
- D. 1 seconde
17. Je nadert een kruispunt waar een verkeersregelaar staat én er staan verkeerslichten op groen. Wie volg je?
- A. Het verkeerslicht
- B. De aanwijzingen van de verkeersregelaar
- C. De borden
- D. Je eigen inzicht
18. Je wilt keren op een drukke weg. Wat is het veiligst?
- A. Direct keren waar je bent
- B. Keren op een rustige plek met goed zicht of via een zijweg/rotonde
- C. Achteruit de hele weg over
- D. Keren in een bocht
19. Je nadert een onoverzichtelijke bocht naar rechts op een smalle weg. Wat doe je?
- A. Snelheid houden en midden op de weg rijden
- B. Snelheid minderen en rechts houden
- C. Toeteren en doorrijden
- D. Links aanhouden
20. Je staat stil in een file op de snelweg en hoort een sirene achter je. Wat doe je?
- A. Blijf strak in je rijstrook staan
- B. Maak ruimte door naar de zijkant te schuiven (vorm een reddingsstrook)
- C. Stap uit
- D. Rijd de vluchtstrook op om weg te komen
21. Je passeert een groep wielrenners die met meer dan twee naast elkaar rijden. Wat doe je?
- A. Toeteren en er strak langs
- B. Geduld houden en pas inhalen als het veilig kan met ruime afstand
- C. Tegen het verkeer in inhalen
- D. Vlak achter ze toeteren
22. Wat is de juiste manier om een heuvel af te dalen met een handgeschakelde auto?
- A. In de vrijstand (neutraal) rollen
- B. Op de motor remmen in een lagere versnelling
- C. Continu hard remmen
- D. Koppeling intrappen
23. Je rijdt door een 30 km/u-zone met drempels. Wat is de bedoeling?
- A. Zo snel mogelijk de drempels nemen
- B. Rustig en alert rijden vanwege kwetsbare verkeersdeelnemers
- C. Slalommen tussen drempels
- D. Toeteren bij elke drempel
24. Je hebt gedronken en zit net onder de wettelijke limiet. Wat is verstandig?
- A. Gewoon rijden
- B. Niet rijden; ook onder de limiet is je reactievermogen verminderd
- C. Langzaam rijden
- D. Koffie drinken en rijden
25. Je nadert een kruispunt waar je linksaf wilt en er is een aparte opstelstrook. Wat doe je?
- A. Op de rechterstrook blijven
- B. Tijdig voorsorteren naar de linker opstelstrook en richting aangeven
- C. Pas op het laatst invoegen
- D. Stilstaan op de rijbaan
26. Je rijdt op een weg met een busstrook (doorgetrokken streep, woord BUS). Mag je erop rijden?
- A. Ja, altijd
- B. Nee, alleen lijnbussen en aangegeven voertuigen
- C. Alleen om in te halen
- D. Alleen 's nachts
27. Je rijdt achter een vrachtwagen die rechtsaf wil. Waar mag je zeker niet gaan staan?
- A. Ruim achter de vrachtwagen
- B. Rechts naast de vrachtwagen in zijn dode hoek
- C. Links erachter
- D. Op afstand
28. Wat is de veiligste plek op de weg voor een fietser die jij inhaalt op een 80 km/u-weg met fietsstrook?
- A. Je rijdt half over de fietsstrook
- B. Je houdt ruim afstand en wijkt zo nodig naar links uit
- C. Je toetert
- D. Je rijdt vlak langs hem
29. Je nadert een spoorwegovergang met gesloten slagbomen en de bellen rinkelen. Wat doe je?
- A. Onder de bomen door slalommen
- B. Stoppen en wachten tot de bomen open zijn
- C. Snel oversteken
- D. Toeteren
30. Je rijdt bij gladheid (ijzel). Hoe pas je je rijstijl aan?
- A. Hard remmen en sturen
- B. Rustig optrekken, zacht remmen, grote afstand en lage snelheid
- C. Snel rijden om er doorheen te komen
- D. Vol gas in bochten
31. Je rijdt door een tunnel en er ontstaat file. Wat doe je?
- A. Achteruit rijden naar de ingang
- B. Aansluiten, afstand houden en motor uit bij stilstand
- C. Keren in de tunnel
- D. Uitstappen en lopen
32. Een voetganger steekt over bij rood voetgangerslicht terwijl jij groen hebt. Wat doe je?
- A. Doorrijden, jij hebt groen
- B. Remmen en de voetganger ontwijken om een aanrijding te voorkomen
- C. Toeteren en doorrijden
- D. Versnellen
33. Je wilt parkeren langs de weg buiten de bebouwde kom. Waar mag dat doorgaans niet?
- A. In een parkeervak
- B. Op een kruising of binnen 5 meter ervan, bij een bocht of op een fietsstrook
- C. Op een aangewezen plek
- D. Op een parkeerterrein
34. Je rijdt met je auto en wilt zuinig optrekken. Hoe schakel je?
- A. Lang in lage versnellingen blijven
- B. Tijdig opschakelen rond 2.000-2.500 toeren
- C. Pas opschakelen bij maximaal toerental
- D. In de hoogste versnelling optrekken
35. Je nadert een kruispunt waar van links een auto nadert op een gelijkwaardige weg. Wie heeft voorrang?
- A. De auto van links
- B. Jij
- C. Wie het hardst toetert
- D. Niemand
36. Je wilt invoegen op de snelweg maar de invoegstrook loopt ten einde en er is geen gat. Wat doe je?
- A. Stoppen op de invoegstrook
- B. Snelheid aanpassen en bij het eerste veilige gat invoegen; eventueel rits
- C. Dwars de rijbaan oprijden
- D. Achteruit rijden
37. Wat is de juiste reactie bij een klapband op de snelweg?
- A. Hard remmen en hard sturen
- B. Stuur recht houden, gas loslaten en geleidelijk afremmen
- C. Direct keren
- D. Handrem aantrekken
38. Je nadert een kruispunt en wilt rechtdoor; je staat op een voorrangsweg maar er staat verderop een agent die jou laat stoppen. Wat doe je?
- A. Doorrijden, jij hebt voorrang
- B. Stoppen, de agent gaat voor de borden
- C. Toeteren
- D. Langzaam doorrijden
39. Wat is de bedoeling van een uitritconstructie (de stoep loopt door over de zijweg)?
- A. Het is een gewoon kruispunt
- B. Verkeer dat de uitrit verlaat moet al het andere verkeer voor laten gaan
- C. Voetgangers moeten wachten
- D. Iedereen heeft voorrang van rechts
40. Je rijdt achter een landbouwvoertuig dat 25 km/u rijdt op een 80 km/u-weg. Wanneer haal je in?
- A. Altijd direct
- B. Alleen bij voldoende vrij zicht, ruimte en geen tegenliggers
- C. In een bocht
- D. Vlak voor een kruising
41. Een fietser zonder licht rijdt 's avonds vlak voor je. Wat is je belangrijkste taak?
- A. Hem berispen
- B. Anticiperen en afstand houden, want hij is slecht zichtbaar
- C. Vlak langs rijden
- D. Toeteren
42. Je rijdt op een weg waar plots een file ontstaat en achter je nadert verkeer snel. Wat doe je eerst?
- A. Hard remmen zonder waarschuwen
- B. Alarmlichten aan en gedoseerd remmen
- C. Toeteren
- D. Naar de vluchtstrook
43. Je wilt linksaf een zijweg in en er steken voetgangers over die zijweg over. Wat doe je?
- A. Snel voor ze langs draaien
- B. De overstekende voetgangers in de zijweg voor laten gaan
- C. Toeteren
- D. Versnellen
44. Je rijdt en je telefoon gaat. Wat is toegestaan?
- A. Vasthouden en bellen
- B. Niet vasthouden; handsfree mag, vasthouden van een mobiel apparaat is verboden
- C. Appen bij rood licht
- D. Filmen tijdens het rijden
45. Je rijdt 50 km/u door de bebouwde kom en nadert een zebrapad waar een voetganger duidelijk wil oversteken. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
46. Voor je rijdt een bal de straat op vanaf een stoep met spelende kinderen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
47. Je nadert een bushalte waar een bus stilstaat met knipperende richtingaanwijzer om weg te rijden. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
48. Je rijdt op een 80 km/u-weg en ziet ver vooruit een file ontstaan. Wat doe je nu al?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
49. Een fietser voor je op de rijbaan steekt zijn arm uit om linksaf te slaan. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
50. Je nadert een onbewaakte spoorwegovergang en de rode lichten beginnen te knipperen. Wat doe je?
- A. Remmen
- B. Gas loslaten
- C. Niets doen
Antwoorden
- 1. De rechtdoorgaande tegenligger — Afslaand verkeer naar links moet tegemoetkomend rechtdoorgaand verkeer voor laten gaan (RVV art. 18).
- 2. Jij, op de voorrangsweg — Op een voorrangsweg heb jij voorrang; verkeer dat invoegt moet wachten.
- 3. Je verleent voorrang aan het verkeer op de rotonde — Haaientanden bij de oprit betekenen voorrang verlenen aan het verkeer dat al op de rotonde rijdt.
- 4. Rechter richtingaanwijzer bij het verlaten — Bij het verlaten van een rotonde geef je rechtsaf aan met je richtingaanwijzer.
- 5. Minimaal ongeveer 1,5 meter — Houd bij het inhalen van fietsers ruim afstand (richtlijn circa 1,5 meter), zeker bij hogere snelheid.
- 6. Stoppen en laten oversteken — Voetgangers op of bij een zebrapad die willen oversteken moet je voor laten gaan (RVV art. 49).
- 7. Spiegels, dode hoek, richting aangeven, dan sturen — Veilig wisselen: kijk in je spiegels, controleer de dode hoek, geef richting aan en stuur pas daarna rustig in.
- 8. Vergroot de afstand, minstens 3-4 seconden — Bij regen is de remweg langer; vergroot je volgafstand naar minstens 3 à 4 seconden.
- 9. Alarmlichten aan en snelheid minderen — Bij naderende file zet je je alarmlichten kort aan om achterliggers te waarschuwen en minder je snelheid tijdig.
- 10. Wachten tot de fietser veilig over is — Ook bij groen laat je overstekende kwetsbare verkeersdeelnemers eerst veilig passeren.
- 11. Jij past je snelheid aan en voegt in tussen het verkeer — Bij invoegen pas jij je snelheid aan aan het verkeer op de hoofdrijbaan en voeg je in een gat in; het doorgaande verkeer heeft voorrang.
- 12. De normale voorrangsregels en borden gelden — Werken de lichten niet, dan gelden de aanwezige borden/markeringen en anders de voorrang van rechts.
- 13. Stoppen en in- en uitstappende passagiers laten gaan — Bij een tram-/bushalte zonder perron stop je voor in- en uitstappende reizigers die de weg oversteken.
- 14. De rechtdoorgaande fietser voor laten gaan — Bij rechtsaf moet je rechtdoorgaande fietsers en bromfietsers op het fietspad voor laten gaan.
- 15. Tijdig dimmen om de tegenligger niet te verblinden — Je dimt je groot licht tijdig voor tegenliggers en wanneer je dicht achter een voorganger rijdt om verblinding te voorkomen.
- 16. Ongeveer 2 seconden, dus ruwweg 56 meter — Bij 100 km/u leg je per seconde ~28 meter af; 2 seconden volgafstand is dus circa 56 meter.
- 17. De aanwijzingen van de verkeersregelaar — Aanwijzingen van een bevoegde verkeersregelaar gaan boven verkeerslichten, borden en regels (RVV art. 81).
- 18. Keren op een rustige plek met goed zicht of via een zijweg/rotonde — Keer alleen waar het overzichtelijk en toegestaan is; gebruik bij voorkeur een zijweg of rotonde en nooit in bochten of bij beperkt zicht.
- 19. Snelheid minderen en rechts houden — Bij beperkt zicht in een bocht minder je snelheid en houd je rechts, zodat je een tegenligger niet snijdt.
- 20. Maak ruimte door naar de zijkant te schuiven (vorm een reddingsstrook) — In een file maak je voor hulpdiensten een reddingsstrook door zoveel mogelijk naar de zijkanten te schuiven.
- 21. Geduld houden en pas inhalen als het veilig kan met ruime afstand — Haal kwetsbare verkeersdeelnemers alleen in als het veilig kan met voldoende zijdelingse ruimte; forceren is gevaarlijk.
- 22. Op de motor remmen in een lagere versnelling — Daal af in een lagere versnelling zodat je op de motor remt; dit voorkomt oververhitting van de remmen.
- 23. Rustig en alert rijden vanwege kwetsbare verkeersdeelnemers — Een 30-zone met drempels is bedoeld om de snelheid laag te houden ter bescherming van voetgangers en fietsers.
- 24. Niet rijden; ook onder de limiet is je reactievermogen verminderd — Ook onder de limiet verslechtert alcohol je reactievermogen en inschattingsvermogen; rijd dan niet.
- 25. Tijdig voorsorteren naar de linker opstelstrook en richting aangeven — Sorteer tijdig voor naar de juiste strook en geef richting aan, zodat ander verkeer je bedoeling kent.
- 26. Nee, alleen lijnbussen en aangegeven voertuigen — Een busstrook is voorbehouden aan lijnbussen en eventueel op onderborden aangegeven voertuigen.
- 27. Rechts naast de vrachtwagen in zijn dode hoek — Rechts naast een rechtsafslaande vrachtwagen sta je in zijn dode hoek en draaicirkel; dat is levensgevaarlijk.
- 28. Je houdt ruim afstand en wijkt zo nodig naar links uit — Houd bij hogere snelheid extra zijdelingse afstand tot fietsers en wijk uit als dat veilig kan.
- 29. Stoppen en wachten tot de bomen open zijn — Bij gesloten slagbomen of knipperende lichten moet je stoppen en wachten; oversteken is levensgevaarlijk en verboden.
- 30. Rustig optrekken, zacht remmen, grote afstand en lage snelheid — Bij gladheid bedien je alles geleidelijk: zacht optrekken en remmen, grote volgafstand en lagere snelheid om slippen te voorkomen.
- 31. Aansluiten, afstand houden en motor uit bij stilstand — In een tunnelfile sluit je rustig aan, houd je afstand en zet je bij langer stilstaan de motor uit; volg de instructies en signalering.
- 32. Remmen en de voetganger ontwijken om een aanrijding te voorkomen — Ook als de voetganger fout zit, moet jij een aanrijding voorkomen; remmen en uitwijken gaat boven 'gelijk hebben'.
- 33. Op een kruising of binnen 5 meter ervan, bij een bocht of op een fietsstrook — Parkeren mag niet op of nabij kruisingen, in bochten, op fietsstroken of waar je het verkeer hindert (RVV art. 24).
- 34. Tijdig opschakelen rond 2.000-2.500 toeren — Zuinig rijden betekent tijdig opschakelen (rond 2.000-2.500 toeren bij benzine) om het toerental laag te houden.
- 35. Jij — Op een gelijkwaardig kruispunt heb je voorrang op verkeer van links; jij gaat dus voor.
- 36. Snelheid aanpassen en bij het eerste veilige gat invoegen; eventueel rits — Pas je snelheid aan en voeg in bij het eerste veilige gat; forceer niet en stop niet op de invoegstrook.
- 37. Stuur recht houden, gas loslaten en geleidelijk afremmen — Bij een klapband houd je het stuur stevig recht, laat je gas los en rem je geleidelijk; hard remmen of sturen veroorzaakt slippen.
- 38. Stoppen, de agent gaat voor de borden — Aanwijzingen van de politie/verkeersregelaar gaan boven verkeerstekens en voorrangsregels.
- 39. Verkeer dat de uitrit verlaat moet al het andere verkeer voor laten gaan — Bij een uitritconstructie verlaat je in feite een erf/inrit en moet je al het verkeer (ook fietsers en voetgangers) voor laten gaan.
- 40. Alleen bij voldoende vrij zicht, ruimte en geen tegenliggers — Inhalen mag alleen met voldoende overzicht, ruimte en zonder tegenliggers; nooit bij bochten, kruisingen of beperkt zicht.
- 41. Anticiperen en afstand houden, want hij is slecht zichtbaar — Een slecht zichtbare fietser vraagt extra anticipatie en afstand; jij blijft verantwoordelijk voor het voorkomen van een aanrijding.
- 42. Alarmlichten aan en gedoseerd remmen — Waarschuw achterliggers met je alarmlichten en rem gedoseerd, zodat je geen kop-staartbotsing veroorzaakt.
- 43. De overstekende voetgangers in de zijweg voor laten gaan — Bij afslaan moet je voetgangers die de zijweg oversteken voor laten gaan (RVV art. 18).
- 44. Niet vasthouden; handsfree mag, vasthouden van een mobiel apparaat is verboden — Een mobiel apparaat vasthouden tijdens het rijden is verboden; bellen mag alleen handsfree.
- 45. Remmen — Voetgangers op of vlak bij een voetgangersoversteekplaats hebben voorrang; je moet remmen en ze laten oversteken (RVV art. 49).
- 46. Remmen — Een bal op de weg betekent dat er een kind achteraan kan komen; rem direct om een aanrijding te voorkomen.
- 47. Remmen — Binnen de bebouwde kom moet je een lijnbus die wegrijdt vanaf een halte voor laten gaan; remmen is nodig (RVV art. 57).
- 48. Gas loslaten — Door tijdig gas los te laten neem je snelheid weg en houd je afstand zonder abrupt te remmen.
- 49. Remmen — De fietser gaat afslaan en kruist je koers; remmen geeft hem ruimte om veilig af te slaan.
- 50. Remmen — Bij knipperende rode lichten moet je stoppen voor de overgang; remmen is verplicht (RVV art. 62).