Theorie Examen

Spiekbriefje

Inzicht

Pas de regels toe in echte verkeerssituaties: voorrang op kruisingen en rotondes, afslaan, invoegen en veilig anticiperen.

De feiten om te onthouden, op één plek. Oefen ze met proefexamens en spaced repetition in CBR Theorie-examen.

Download on theApp Store

Voorrangsregels in Nederland

  • Gelijkwaardig kruispunt: verleen voorrang aan bestuurders van rechts.
  • Afslaand verkeer verleent voorrang aan tegemoetkomend rechtdoorgaand verkeer.
  • Op een voorrangsweg (geel wybertje) heb jij voorrang op invoegend verkeer.
  • Rotonde met haaientanden: voorrang aan het verkeer dat al op de rotonde rijdt.
  • Bestuurders gaan altijd voor op afslaande voetgangers en fietsers in dezelfde richting.

De 2-secondenregel en volgafstand

  • Houd minimaal 2 seconden afstand tot je voorganger bij droog weer.
  • Tel: passeert je voorganger een vast punt, dan moet jij dat punt pas 2 tellen later bereiken.
  • Bij regen of een nat wegdek verdubbel je de afstand naar minstens 4 seconden.
  • Bij mist, ijzel of sneeuw vergroot je de afstand nog verder.
  • De totale stopafstand = reactieafstand + remweg, en die groeit sterk met de snelheid.

Remweg, reactieafstand en stopafstand

  • Stopafstand = reactieafstand + remweg.
  • De reactieafstand is de afstand die je aflegt voordat je begint te remmen (ongeveer 1 seconde).
  • De remweg neemt kwadratisch toe: bij dubbele snelheid is de remweg ongeveer vier keer zo lang.
  • Een nat of glad wegdek verlengt de remweg aanzienlijk.
  • Vermoeidheid, alcohol en afleiding vergroten vooral de reactieafstand.

Invoegen en uitvoegen op de snelweg

  • Pas op de invoegstrook je snelheid aan die van het verkeer op de hoofdrijbaan.
  • Verkeer op de hoofdrijbaan heeft voorrang; jij voegt in een gat in.
  • Ritsen doe je waar een rijstrook eindigt: om en om laten invoegen.
  • Ga voor het uitvoegen tijdig naar de uitvoegstrook en rem pas daar af.
  • Kijk in je spiegels én over je schouder voor de dode hoek.

De dode hoek en het schouderblik

  • De dode hoek is het gebied dat je niet in je spiegels ziet.
  • Controleer de dode hoek met een schouderblik vóór je van rijstrook wisselt of afslaat.
  • Vrachtwagens hebben grote dode hoeken, vooral rechts naast de cabine.
  • Blijf als fietser uit de dode hoek van een afslaande vrachtwagen.
  • Een spiegel alleen is niet genoeg: kijk ook echt over je schouder.

Aquaplaning herkennen en voorkomen

  • Bij aquaplaning verliezen de banden grip doordat er een waterlaag tussen band en wegdek komt.
  • Het risico stijgt bij hoge snelheid, veel water en weinig profiel.
  • Voorkom het door snelheid te minderen en plassen te vermijden.
  • Krijg je aquaplaning: niet hard remmen of sturen, maar gas loslaten en rechtuit rijden.
  • Voldoende profieldiepte voert het water beter af.

Veilig rijden in de mist

  • Pas je snelheid aan zodat je binnen de zichtafstand kunt stoppen.
  • De achtermistlamp mag pas bij een zicht van minder dan 50 meter.
  • Gebruik dimlicht, niet groot licht: groot licht weerkaatst in de mist.
  • Houd extra afstand tot je voorganger.
  • Bij zeer dichte mist kun je beter veilig stoppen op een parkeerplaats.

Bijzondere en kwetsbare weggebruikers

  • Geef voetgangers op een voetgangersoversteekplaats (zebrapad) gelegenheid om over te steken.
  • Houd rekening met kinderen: zij zijn klein en handelen onvoorspelbaar.
  • Een persoon met een witte stok of blindengeleidehond is mogelijk slechtziend of blind.
  • Ouderen en mensen met een beperking hebben soms meer tijd nodig.
  • Een gehandicaptenvoertuig mag op meer plekken rijden dan een gewone auto.

De spoorwegovergang oversteken

  • Het andreaskruis geeft aan dat je een spoorweg nadert; een dubbel kruis betekent meerdere sporen.
  • Bij knipperende rode lichten of gesloten bomen moet je stoppen.
  • Rijd nooit een overweg op als je er niet meteen overheen kunt.
  • Bij een onbewaakte overgang kijk je zelf goed beide kanten op.
  • Een trein nadert sneller dan je denkt en kan niet uitwijken.

Voorrang van rechts op een gelijkwaardig kruispunt

  • Op een gelijkwaardig kruispunt verleen je voorrang aan bestuurders van rechts.
  • Borden (B1/B6) of haaientanden kunnen de voorrang anders regelen.
  • Bestuurders die van een uitrit of erf komen, verlenen voorrang aan al het verkeer.
  • Op een rotonde met haaientanden gaat het verkeer op de rotonde voor.
  • Trams hebben meestal voorrang, ook van links.

Veilig en toegestaan inhalen

  • Inhalen doe je in principe links.
  • Een doorgetrokken streep tussen jouw en de andere rijrichting mag je niet overschrijden.
  • Bij bord F1 (inhaalverbod) mag je geen motorvoertuigen inhalen.
  • Haal niet in vlak voor of op een voetgangersoversteekplaats.
  • Fietsers en bromfietsers mag je rechts inhalen of voorbijrijden waar dat veilig kan.

Rotondes: voorrang, richting aangeven en uitvoegen

  • Bij haaientanden voor de rotonde verleen je voorrang aan het verkeer dat al op de rotonde rijdt.
  • Je hoeft bij het oprijden van de rotonde geen richting aan te geven.
  • Bij het verlaten van de rotonde geef je wél richting aan (rechts).
  • Op veel rotondes hebben fietsers op de rotonde voorrang; let op de haaientanden.
  • Rijd rechtsom (met de wijzers van de klok mee) over de rotonde.

Afslaan, voorsorteren en richting aangeven

  • Geef tijdig richting aan voordat je voorsorteert of afslaat.
  • Sorteer voor links afslaan zo veel mogelijk naar het midden, voor rechts naar rechts.
  • Controleer voor het afslaan de dode hoek met een schouderblik.
  • Bij afslaan verleen je voorrang aan tegemoetkomend rechtdoorgaand verkeer.
  • Let bij rechts afslaan extra op fietsers en bromfietsers naast je.

Voorrang en regels rond tram en bus

  • Een tram heeft meestal voorrang, ook van links, tenzij borden of lichten anders aangeven.
  • Binnen de bebouwde kom moet je een lijnbus laten invoegen als die met richtingaanwijzer wegrijdt van een halte.
  • Buiten de bebouwde kom heeft de bus geen voorrang bij het wegrijden.
  • Op een gelijkwaardig kruispunt gaat de tram voor op andere bestuurders.
  • Wees voorzichtig bij het oversteken van tramrails: een tram kan niet uitwijken.

Bijzondere verrichtingen: keren, achteruitrijden en wegrijden

  • Bij keren, achteruitrijden en wegrijden verleen je voorrang aan al het andere verkeer.
  • Keer niet op een kruispunt, in een tunnel of op een onoverzichtelijke plek.
  • Achteruitrijden mag alleen over een korte afstand en als het veilig kan.
  • Kijk bij wegrijden in je spiegels én over je schouder voor de dode hoek.
  • Een bestuurder die een bijzondere verrichting uitvoert, is "zwakkere" partij in de voorrang.

Rijden bij sneeuw, ijzel en gladheid

  • Op een glad wegdek is de remweg veel langer; minder daarom je snelheid.
  • Stuur, rem en trek rustig op om wielspin en slippen te voorkomen.
  • Houd extra veel afstand tot je voorganger.
  • Bruggen en viaducten bevriezen als eerste; wees daar extra voorzichtig.
  • Krijg je een slip, laat dan het gas los en stuur rustig de goede kant op.

Meer spiekbriefjes

Haal je rijbewijs. Begin vandaag.

Gratis te beginnen -- geen account nodig. Eenmalige aankoop voor alles.